13 april 2017

Mandje vol versgeplukte brandnetel

Afgelopen zaterdag was de eerste Kruidenworkshop met de Seizoenen hier in de kruidentuin. We hebben flink brandnetels geplukt en in zalf te trekken gezet. Omdat brandnetels, net als spinazie, slinken in de pan, heb ik er een paar dagen later nog een mand nieuwe brandneteltoppen bij gedaan. In totaal staan er nu twee ketels met brandnetelzalf te trekken. De zalf kleurt al snel mooi groen, maar ik wil hem graag nog veel langer laten trekken om zeker te weten dat alle vocht uit de planten verdampt is. Dan is de zalf lang houdbaar. Over drie weken komt de groep terug om de zalf te zeven en af te maken.

Toevoegen aan de zalf

Brandnetels in de pan met zalf

Roeren tot alles in de gesmolten zalf zit

In de tussentijd zal het aanzien van de tuin hopelijk flink veranderen. De lente is dit jaar stormachtig van start gegaan, maar staat nu enigszins in de koelkast. De temperatuur is veel lager en de planten ontwikkelen zich niet meer zo snel. Dat geeft me de tijd om het laatste “start-van-het-seizoen” werk te doen. De goudsbloembedden van vorig jaar zijn in de loop van de winter helemaal vol onkruid komen staan. Bovendien liggen de dorre bloemstengels van vorig jaar er ook nog op, plus een heleboel goudsbloemzaad en kleine kiemplantjes. Het is te veel en te goed geworteld, om het te kunnen uittrekken of wegschoffelen. Hier ga ik de grond omspitten.

Spitten is best een aanslag op het bodemleven. Ik zet hun wereld letterlijk op zijn kop. Om de schade te beperken, spit ik zo ondiep als maar mogelijk is, waarbij natuurlijk wel alle groen onder de grond moet verdwijnen. Na het spitten loop ik voetje voor voetje over het land, zodat ik de kluiten goed aandruk. Het bodemleven zal zich even moeten herstellen van de omkering, maar daarna hebben ze in elk geval weer voldoende voedsel: alle delen van planten die onder de grond terecht gekomen zijn zullen afsterven en tot humus worden omgezet. Op zijn beurt dient die humus straks weer als voedsel voor de nieuwe planten.

Op de goudsbloembedden van vorig jaar komen dit jaar andere planten. Dat heet vruchtwisseling. De kamille en het Sint-Janskruid schuiven een vakje door, en ook de citroenmelisse ga ik uitgraven en een vakje verplaatsen. Verse grond onder de voeten zal hem goed doen. Vorig jaar, bij de aanleg van de cirkelvormige productietuin, had ik wat ruimte over (of planten te kort…). Ik heb toen twee bedden met zeepkruid aangelegd, want daarvan had ik voldoende plantgoed. Zeepkruid gebruik ik als één van de vijf bestanddelen van berkenolie, maar ik heb er helemaal niet zo veel van nodig. Daarom graaf ik nu één van de zeepkruidbedden uit en ruim die planten op. Eén bed is ruim voldoende. Het uitgraven van zeepkruid is wel een hele klus, omdat het met lange taaie wortels ver buiten het eigen bed reikt. Die wortels moet ik allemaal uitgraven. Hier heb ik al een begin mee gemaakt, en ik hoop het volgende week af te ronden. Als zo alle grond weer vrij gemaakt is, kan ik de nieuwe goudsbloemen voor dit jaar gaan zaaien. Kamille en Sint-Janskruid hoef ik niet te zaaien; die komen overal spontaan op. Ik hoef ze maar uit te steken en op de juiste plaats te planten. Ik verheug me er echt op dat alles weer op zijn plek staat en de cirkelvormige structuur van de tuin, met taartpuntvormige bedden, goed te herkennen zal zijn.

Intussen heb ik ook al volop van de prachtigste driekleurige viooltjes kunnen plukken. Een feest van kleur!

Delen:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Email this to someone