23 september 2015: compost (deel 1)

De composthoop neemt in elke biologische tuin een centrale plaats in, ook al wordt ie vaak in een hoekje weggemoffeld. We willen hem liever niet zien. Toch is compost een essentieel onderdeel van biologisch tuinieren.

Over het maken van compost zijn boeken vol geschreven. De inzichten veranderen in de loop van de jaren enigszins, maar het uitgangspunt blijf hetzelfde: het sluiten van kringlopen, geen organisch materiaal verloren laten gaan. De enige manier om landbouwgrond vruchtbaar te houden (of terug vruchtbaar te maken) is het aanvoeren van organisch materiaal. Het composteren helpt om dit organisch materiaal beschikbaar te maken als voedsel voor planten.

In het verre oosten (China, Japan, Korea) heeft men een landbouwsysteem gekend dat meer dan tweeduizend jaar op dezelfde grond voldoende voedsel kon produceren voor een hele grote bevolking. Geen enkel ander systeem heeft ooit zo goed en zo langdurig de bodemvruchtbaarheid in stand gehouden. Compost was ook daar een centraal gegeven, en niets ging verloren. Alle organisch materiaal, waar men de hand op kon leggen, werd gecomposteerd. Niet alleen gewasresten en maaisel uit het wild, maar ook het materiaal dat uit rivieren en sloten werd gebaggerd, afgedankte delen van huizen die van stro en leem waren gemaakt, en zelfs menselijke uitwerpselen.

In de huidige westerse wereld gaat juist veel materiaal verloren. We doen ons best met de groene containers en het scheiden van afval, maar er gaat toch ook erg veel door het riool, om maar eens iets te noemen. In de landbouw wereldwijd begint zich al een nieuw probleem af te tekenen: een tekort aan fosfaat. Planten hebben fosfaat nodig om te groeien, en het wordt dan ook in de vorm van kunstmest op het land aangebracht. Maar de fosfaatmijnen in de wereld raken uitgeput. Al die fosfaat is via voedergewassen in ons vee terecht gekomen, en door het vee uitgeplast. Fosfaat komt in de urine terecht. Het grootste deel van de fosfaten die via kunstmest op het land zijn aangebracht, spoelen uiteindelijk via het riool en via het oppervlaktewater, naar de zee. Die wordt steeds fosfaatrijker, maar het land komt straks tekort.

Het sluiten van kringlopen wordt steeds belangrijker, willen we straks niet met een chronisch fosfaattekort komen te zitten.

Om kringlopen te sluiten is compost van groot belang. Alle organisch materiaal kan gecomposteerd worden, waardoor het beschikbaar komt voor het bodemleven. Dat zorgt er dan voor, dat er weer planten kunnen groeien.

Op mijn tuin probeer ik al jaren niets verloren te laten gaan. De groene container wordt hier niet gebruikt. Alle organische materiaal houden we hier.

Nu is het maken van compost helemaal niet moeilijk, maar toch is er een belangrijk probleem: de zaden van planten op de composthoop blijven in leven, en gaan kiemen zodra je de compost over de tuin uitspreid. Met de compost zaai je ieder jaar weer een heleboel onkruid op je tuin. Ook plantenwortels en plantenziekten kunnen in de composthoop overleven, en zo over de tuin verspreid raken. Dat wil je natuurlijk niet.

De enige manier om dit met composteren te voorkomen, is de perfecte composthoop: de juiste hoeveelheid vocht, de juiste verhouding tussen stikstofrijk (vers groen, mest) en koolstofrijk (stro), de juiste begintemperatuur (zet geen hoop op in de winter!), goede afdekking, een hoop die groot genoeg is…. Als aan alle voorwaarden is voldaan zal er een composteringsproces op gang komen, waarbij de eerste dagen veel warmte vrijkomt. De hoop zal dan heet worden en gaan stomen. Temperaturen van 60 graden zijn voldoende om onkruidwortels, onkruidzaden en plantenziekten te doden.

Dat is het ideaalplaatje. De grote compostbedrijven, die de inhoud van onze groene containers verwerken, kunnen dat bereiken. En anders voegen ze wel warmte toe. Voor de kleinschalige composteerder in eigen tuin is dit veel lastiger. In 25 jaar biologisch tuinieren heb ik maar één keer meegemaakt, dat de composthoop op de tweede dag stoom afgaf. En dan nog werd die hoge temperatuur alleen bereikt in het binnenste van de hoop en niet aan de buitenkant. Ik heb in de loop der jaren heel wat onkruid gerecycled!

Er is gelukkig een methode, die die hoge temperaturen overbodig maakt. Die gaat terug op de technieken uit het verre oosten, die gelukkig niet helemaal vergeten zijn.

Het geheim zit hem in een twee fasen systeem. In de natuur komen veel micro-organismen voor, die in staat zijn organisch materiaal af te breken. Sommige microben gebruiken daarbij zuurstof, andere juist niet. Afbraak met behulp van zuurstof (aeroob) gebeurt in de composthoop. Daarom moet die altijd enigszins luchtig worden opgezet: er moet zuurstof bij kunnen. Afbraak zonder zuurstof bestaat er in verschillende vormen. Eén daarvan is rotting: dat willen we niet. Dat stinkt en er ontstaan ongezonde producten. Een andere anaerobe vorm van afbraak is fermentatie. Dat is de techniek die gebruikt wordt bij het maken van zuurkool of het inkuilen van ruwvoer voor het vee. Het materiaal wordt flink samengeperst om de lucht er uit te halen, en aangezuurd met melkzuurbacteriën. Die melkzuurbacteriën gaan nu het materiaal voor verteren. Als het materiaal bestaat uit witte kool, is het resultaat zuurkool. Licht zurig, fris, boordevol vitaminen en licht verteerbaar voor ons spijsverteringsstelsel. Als het beginmateriaal snijmaïs was, is het eindproduct kuilvoer. Ook vitaminerijk en fris zurig (maar eigenlijk niet zo geschikt voor het spijsverteringsstelsel van koeien, maar dat is een ander verhaal). Nemen we al beginmateriaal organisch afval uit onze tuin, zoals in zaad geschoten goudsbloemen, harde stengels van zonnebloemen of harde bolsters van walnoten, dan is het resultaat fris zurig en zacht. Materiaal dat op deze manier anaeroob is gefermenteerd, heeft nog dezelfde vorm maar is wel helemaal zacht geworden. Daarna kan het alsnog op de composthoop, om aeroob verder afgebroken te worden tot humus.

Hoop oude goudsbloemen

Hoop oude goudsbloemen

afgedekte fermentatiehoop

afgedekte fermentatiehoop

Daarom heb ik vanmorgen de hoop uitgetrokken goudsbloemen die vol zaten met zaad, eerst bestrooid met een starter met melkzuurbacteriën (in dit geval Bokashi) en flink aangedrukt door er op te gaan staan stampen. Daarna heb ik er landbouwplastic overheen gelegd, en dat heb ik vast gezet door er een laag grond op te gooien. Nu moet dat zes weken blijven liggen (langer mag ook) om te fermenteren. Als het goed is, kan er daarna geen kiemkrachtig zaad meer in zitten. Dan kan het op de gewone composthoop mee, en kan het volgend jaar worden “terug gegeven” aan de grond.

Delen:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Email this to someone