compost

De composthoop is het hart van elke biologische tuin, ook al ligt de hoop meestal in een hoekje verborgen. Niet bij ons: de compostplaats ligt letterlijk midden in de tuin.

Dat is niet altijd zo geweest. Vroeger hadden we een grote compostplaats met twee vakken in een hoek van het land. Nu zijn er altijd restanten in zo’n grote tuin, die niet op de composthoop kunnen, omdat ze te moeilijk verteren. Denk aan koolstronken, dikke stengels van zonnebloemen of de taaie wortels van brandnetel. We hebben jarenlang al deze onverteerbare zaken achter de compostplaats op een hoop gegooid, uit het zicht en uit het hart. Uiteindelijk werd dit een enorme puinhoop: totaal overwoekerd met (zeer doornige) bramen en brandnetels, die van daaruit de compostplaats veroverden. Het was tijd hier eens grote schoonmaak te houden.

Dat is nu anderhalf jaar geleden, in de herfst. We hebben toen inderdaad alle compost van deze plek weggehaald, de palen en wanden van de compostplaats afgebroken en afgevoerd en daarna zijn we de afvalhoop te lijf gegaan. Het lastige is, wat je nu met al dit materiaal moet doen. Het is nog steeds moeilijk verteerbaar (want volledig doorgroeid met taaie brandnetelwortels) en tegelijkertijd heel waardevol voor de bodem. Brandnetel is rijk aan mineralen. Als je al dit afval zou afvoeren van de tuin, dan raak je veel waardevolle mineralen kwijt.
We willen de kringloop van mineralen op ons landje graag sluiten, dus moet er ook iets gedaan worden met dit moeilijke materiaal. We vonden de oplossing in het boek “vierduizend jaar kringlooplandbouw” van  F.H. King (oorspronkelijk verschenen in 1911, in 2011 heruitgegeven in het Nederlands), waarin de traditionele landbouwmethoden van het verre Oosten worden beschreven: China, Japan en Korea. In deze landen was composteren de basis van de landbouw, en werd er nooit enig organisch materiaal weggegooid. Maar dan ook echt niets. Niet alleen resten van de land- en tuinbouw, maar ook de bagger uit de rivieren, de mest van dieren én mensen en zelfs de lemen hutten werden gecomposteerd en aan het land teruggegeven. Zo kon men duizenden jaren de bevolking voeden zonder verlies van bodemvruchtbaarheid. Een ongeëvenaarde prestatie.
Het geheim zit hem in een compostering in twee stappen.
In eerste instantie wordt het materiaal onder zuurstofarme omstandigheden gefermenteerd. Dat is een proces dat te vergelijken is met het maken van zuurkool, yoghurt of kuilvoer voor de koeien. Melkzuurbacteriën breken het materiaal voor een deel af, waarbij melkzuur gevormd wordt. Daarna volgt de tweede stap: het hele zaakje wordt alsnog luchtig opgezet in een composthoop, waar zuurstof wel een rol speelt in de afbraak. In de composthoop doen in eerste instantie vooral schimmels het werk, gevolgd door de onvolprezen regenwormen, die zich een weg eten door het organische materiaal. Hun uitwerpselen zijn in feite wat wij compost noemen. Te vergelijken met bosgrond: kruimelig en donker van kleur.

Met dit in gedachten hebben we een fermentatiehoop gemaakt voor al het moeilijk verteerbare materiaal: bramen, brandnetelwortels, koolstronken e.d. We hebben deze hoop opgezet op een stevig plastic zeil, gemengd met een bokashistarter (een mengsel van melkzuurbacteriën) en heel krachtig aangedrukt om alle lucht er uit te persen. Het juiste vochtgehalte is daarbij van groot belang: het moet zo nat zijn, dat er vocht tussen je vingers uit loopt als je een handvol samenknijpt. Daarna dekten we de hele zaak grondig en zo goed mogelijk luchtdicht af met nog meer zeilen, die we verzwaarden met stenen. Zo heeft dat anderhalf jaar gelegen.

Nu hebben we deze hoop open gemaakt en warempel: het is gelukt. Het materiaal is nog goed herkenbaar, maar ruikt fris zuur en alles is zachter geworden. Zelfs de houtachtige doornstengels van de bramen. Nu hebben we dit alles gemengd met het verse tuinafval en opgezet tot een luchtige composthoop. Wederom zorgvuldig met voldoende vocht er in. Afgedekt met vers grasmaaisel om uitdroging tegen te gaan, en nu maar weer afwachten…