tuinieren tijdens een hittegolf (26 juni 2019)

De zomer is in volle hevigheid losgebarsten, en het eerste hitterecord is al weer gesneuveld.

Voor sommige planten is dit slecht nieuws, omdat ze de droogte van 2018 nog niet te boven zijn. Neem bijvoorbeeld het gras. Ik geef toe dat ik het gras nooit op wat voor manier dan ook water geef, dus dat dat vorige zomer verdorde is heel normaal. In feite is dat inderdaad heel normaal voor grasachtigen; alleen wij polderaars zijn er niet aan gewend. Wij vinden dat grasmatten altijd groen moeten zijn. Nou, dat zijn ze dus niet. Door de droogte van vorig jaar zijn er zo veel openingen in de grasmat ontstaan, dat er ruimte kwam voor allerlei interessante kruiden. Zo staat hier dit jaar opvallend veel reigersbek en zachte ooievaarsbek, allebei met prachtige kleine roze bloemetjes. Ook Sint-Janskruid, dat vorige zomer helemaal verloren ging door de hitte, kwam overal tussen het gras op

Sint-Janskruid tussen het gras

. Ik heb een flink stuk van het land dit jaar niet gemaaid om het Sint-Janskruid een kans te geven. Dat staat nu prachtig in bloei. Maar het meest heeft het duizendblad geprofiteerd van de afwezigheid van het gras: dit krachtige kruid bleef de hele zomer groen en het heeft de hele boomgaard overgenomen. Voor de fruitbomen maakt dat niet uit, dus laat maar lekker groeien!

Helaas is ook de Echinacea purpurea, die vorig jaar in de zomerhitte is verbrand, nog niet helemaal hersteld. Het is wel niet zo erg als vorig jaar, maar 2019 is toch al weer een erg droog jaar met te weinig neerslag.

Gelukkig hebben we een grondwaterpomp. We beregenen dagelijks. Dat doen we nooit overdag. Beregenen overdag is een zinloze bezigheid: het water wordt door de lucht verneveld en zal al verdampen voordat het goed en wel op de grond komt. Hier gaat de pomp altijd pas aan na een uur of zeven ‘s avonds. De zon zakt dan al aardig en de grond krijgt de tijd om het water op te nemen. Om effect te hebben moet je wel een aantal uren achtereen de sproeier laten draaien. Meestal gaat hij pas om een uur of elf weer uit. Omdat ik maar 1 sproeier heb, komt elke avond een ander stukje tuin aan de beurt. We benen het net bij…

Zelf werk ik volgens een tropenrooster: vroeg opstaan en werken tot het te warm wordt. In de praktijk betekent dat: tot het droge zand in de tuin zo heet wordt, dat ik er mijn voeten aan brand. Of mijn knieën: ik besteed elke ochtend twee tot drie uur aan het plukken van goudsbloemen en Sint-Janskruidbloemen, en dat gaat het beste op de knietjes. Je kunt nu eenmaal niet zo lang gebukt staan; dat zou funest zijn voor de rug. Ik bezit een speciale kruipbroek, met kussens op de knieën, maar die is gemaakt van rubber; dat kun je met dit weer echt niet dragen! Zelfs een gewone overall vind ik te warm. Dan maar met de blote knieën over de grond. Gelukkig is de zandgrond zacht.
Behalve met plukken ben ik elke dag bezig een stukje van de tuin onkruidvrij te maken, en tenslotte verplaats ik alvast de sproeier met de zware waterslangen naar het volgende stukje tuin. Daarna is het tijd voor siësta!

Pas in de loop van de avond koelt het zo ver af, dat er weer wat onkruid gewied kan worden.

De bloemen die ik elke dag pluk gaan direct in de zalf (goudsbloemen) of in de olie (Sint-Janskruid), die vervolgens in de volle zomerzon te trekken wordt gezet.

Sint-Jansolie staat te trekken in de zon